De akkers

De boerderij heeft naast dieren ook wat hectaren weiland en akkers. 1Ha = 100 m X 100 m. Om te kunnen werken op die hectaren heeft de boer een goede tractor nodig en machines. Soms maakt hij gebruik van de diensten van de loonwerker. Deze beschikt over grotere en meer gespecialiseerde machines die hij dan bij verschillende boeren kan gebruiken tegen betaling.

Het weiland wordt in het voorjaar en soms nog eens in de zomer gemaaid. Het gemaaide gras blijft enkele dagen opengeschud liggen om in een hoop, bedekt met plastiek, te liggen. Dit noemt men kuilgras en het wordt gebruikt om de koeien in de winter mee te voederen.
Om hooi te maken laat de boer het gras n a twee weken liggen, meestal gebeurt dit in de zomer. Iedere dag moet het gras geschud worden en het mag zeker niet regenen. Het gedroogde gras wordt dan in kleine balen geperst. Hooi kan het menu van de koeien aanvullen, maar het wordt meestal gevoederd aan het jongvee en aan de schapen.
Nadat het gras is binnengehaald, kunnen de koeien gaan grazen in de weiden, verdeeld in stukken. De koeien grazen om de drie dagen in een ander stuk zodat het gras de tijd heeft om terug te groeien.

Op de akkers worden tarwe, mas en aardappelen geteeld. Voor deze gewassen wordt het land eerst bemest volgens de behoefte van het gewas dat er gekweekt zal worden. Dit kan met kunstmest zijn, maar ook met dierlijke mest. De slappere mest sprijdt men open met een drijfmesttank, de vaste mest -afkomstig van dieren op stro- wordt met een mestkar verdeeld over het land. Onmiddellijk wordt de mest ingewerkt met een grondbreker om de onwelriekende dampen en bepaalde voedingsstoffen niet te laten verdampen. Nu is het land klaar voor de verdere bewerkingen.
Eerst gaat de boer ploegen, zo komt de grond luchtig en verdwijnen de wilde planten of het onkruid en de plantenresten in de grond. Na ploegen komt eggen. De bovenste grote aardkluiten worden met de eg fijn gemaakt. Nu kan men tarwe en mas zaaien of aardappelen planten. Dit gebeurt met een precisie zaai- of plantmachine. Zaaien en planten gebeurt in het voorjaar, uitgezonderd tarwe. Tarwe gezaaid in de winter noemt men wintertarwe, gezaaid in de lente heet het zomertarwe. Doordat het zaai- of plantgoed klein is, is het van belang dat de grond met zorg fijngemaakt wordt. Te grote kluiten kunnen de zaadjes niet genoeg afdekken waardoor ze na het kiemen kunnen uitdrogen en afsterven. De kluiten mogen ook niet te fijn zijn, want bij hevige neerslag kunnen de fijne aardkorreltjes dichtplakken en een harde aardkorst maken. Hierdoor krijgen pasgekiemde zaadjes geen zuurstof meer en kunnen de jonge tere stengeltjes de aardkorst niet doorboren.
Als alles goed verloopt en de plantjes goed groeien, moeten deze nog goed verzorgd worden tegen onkruid, luizen en ziekten. Onkruid kan soms boven de plantjes groeien en ze onderdrukken, versmachten waardoor de opbrengst kleiner wordt. Luizen wreten aan de bladeren en jonge steeltjes, zo kunnen de plantjes niet groeien zoals het hoort. Soms gebeurt het dat de plantjes ziek worden, door een schimmel of bacterie . Als de plantjes niet behandeld worden, sterven ze af of gaan ze na de oogst niet goed bewaren en rotten. Tegen al deze plagen zal de boer sproeien. Vooralleer de boer sproeit zal hij informatie vragen aan de sproeistoffenleverancier. De sproeistoffenleverancier kan je vergelijken met de dokter. Deze kan vaststellen hoe erg de plaag is en kan dan de juiste producten geven met de juiste verhoudingen, want te veel sproeien verziekt het milieu. Nu kan de boer zijn plantjes behandelen en opvolgen.
Eens de planten volgroeid en rijp voor de oogst, worden ze geoogst. Meestal gebeurt dit ook door de loonwerker. In de zomer wordt de tarwe gedorst met een pikdorser. De granen worden naar een handelaar met opslagplaats gebracht, waar ze verwerkt worden tot veevoeder. De stengels die nu stro heten, worden in balen geperst en gestapeld in de stal. De boer gebruikt stro om de ligruimte van de koeien en jongvee in te strooien. September is de oogstmaand voor de aardappelen. Deze worden gerooid en bewaard in de loods tot de handelaar ze naar de fabriek brengt. Ook wordt de mas gedorst, deze bewaren we in een kuil met plastiek erover en dit dient voor het winterrantsoen van de koeien.

Akkerbouwers leven met het ritme van het weer, wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn, dan zie je de tractoren en machines op en af rijden van de velden. Dit tijdens het voorjaar (lente) wanneer er gezaaid moet worden en in de zomer en najaar (herfst) om de vruchten te oogsten. Nu begrijp je misschien waarom de landbouwers van vroeg in de morgen tot laat in de nacht op hun velden zijn.
Al de uitspraak eens gehoord : bij een akkerbouwer staat z'n winkel buiten.

Met steun van :
West-Vlaanderen
Developed by DigitalMind
Vorige
linker pijl toets
Volgende
rechter pijl toets
Sluiten Verslepen